‘Honderdmaal gemakkelyker dan Hollandsch?’

Afrikaans is geen Nederlands dialect, zoals tot ver in de negentiende eeuw wel werd gedacht. En het is zeker geen kindertaaltje, al schijnt het zo te klinken voor nogal wat Nederlanders. Ena Jansen over de ontwikkeling van Afrikaans, de enige Indo-Europese taal die geboren en getogen is op het Afrikaanse continent.

Ena Jansen

Bart de Graaff

Dat Afrikaans is ontstaan uit zeventiende-eeuws Nederlands dat aan Kaap de Goede Hoop binnen dertig jaar na de komst van Jan van Riebeeck in 1652 al snel een andere ontwikkeling doormaakte dan in de Lage Landen, is door verschillende taalhistorici uitvoerig uit de doeken gedaan. Verklaringen voor deze eigen ontwikkeling zijn gezocht in het feit dat de Kaap toentertijd een culturele smeltkroes was waar een ‘botsing’ van talen plaatsvond: tussen de Nederlandse dialecten van VOC-beambten, soldaten en vrijburgers, Oosterse slaven die Maleis en gebroken Portugees spraken, en de Hottentot- of Khoitalen van de oorspronkelijke bewoners. Th. Hahn toonde zich in 1882 al voorstander van de zgn. Hottentot-theorie (waarvolgens Afrikaans ‘psychologically an essential Hottentot idiom’ was),  terwijl M. de Vries en J. te Winkel de Franse theorie ontwikkelden (Afrikaans zou onder invloed van de Franse Hugenoten zijn ontstaan). D.B. Bosman, J.L.M. Franken, J. du P. Scholtz, G.G. Kloeke en Edith H. Raidt legden in de twintigste eeuw sterk de nadruk op de Europese, specifiek Nederlandse wortels van Afrikaans, waar D.C. Hesseling, M.F. Valkhoff en H. den Besten op grond van Indo-Portugees, Maleis-Portugees en Khoitalen een groot deel van dit ‘Europese bos’ gekapt hebben met hun theorieën over die Pidgin-oorsprong van Afrikaans.

De zuidpunt van Afrika werd een ‘contact zone’ van volken en talen toen de inheemse Khoikhoi rond het midden van de zeventiende eeuw geconfronteerd werden met Nederlandse kolonisten en later met Maleistalige slaven (vanaf 1658), Franse Hugenoten (vanaf 1688) en Duitse landverhuizers. Onder deze omstandigheden was het vermengen van talen en het ontstaan van een nieuwe taal haast onvermijdelijk. Dat proces voltrok zich in een opmerkelijk rap tempo. De oudst bekende Pidgin-Nederlandse zin - met duidelijke Khoikhoi invloeden -dateert al uit 1671 en luidt: ‘Eij ghij Caetjoor, jouw siecken hont ghij die brood tecken’. (‘O jij hond, jij zieke hond die brood steelt’.) Over de aard en mate van creolisering die aan het moderne Afrikaans ten grondslag liggen wordt overigens nog steeds gedebatteerd. De verschillen tussen Nederlands en Afrikaans die zijn toe te schrijven aan de specifiek Kaapse omstandigheden waarin laatstgenoemde zich ontwikkelde, zijn nog altijd niet uitputtend onderzocht.

Lelijk dialect?

Afrikaans is een Indo-Europese taal  die wordt geclassificeerd als Nederfrankisch West-Germaans. Het wordt veel gesproken in Zuid-Afrika en Namibië en is de moedertaal van twee nauw verwante etnische groepen: de (blanke) Afrikaners en de zgn. Kleurlingen of ‘Bruinmense’. Afrikaans werd lange tijd ‘Afrikaans-Hollands’ of  denigrerend ‘keuken-Hollands’ genoemd, omdat het aanvankelijk vooral gesproken werd door vrouwen, kinderen en slaven in de Kaap. Ook werd het tot in de late negentiende eeuw beschouwd als een Nederlands dialect - en dan vaak niet het meest welluidende: in zijn Herinneringen uit Zuid-Afrika (1879) noemde de Nederlander Th.M. Tromp Afrikaans bijvoorbeeld een vreselijk en bijna onverstaanbaar taaltje, ‘het leelijkste en meest vermengde dialect dat ooit bestond’.


In Zuid-Afrika zelf werd daar, uiteraard, heel anders over gedacht. In reactie op het strikte angliseringsbeleid van de Brits-koloniale overheid, begon een groep Kaaps-Hollandse  intellectuelen in het laatste kwart van de negentiende eeuw te streven naar het versterken en verzelfstandigen van hun taal. ‘Afrikaners’ zouden in hun eigen (spreek)taal moeten kunnen lezen en schrijven. Hun motto ‘skryf soos jy praat’ stond op 14 augustus 1875 aan de wieg van de oprichting van het ‘Genootskap voor Regte Afrikaners’, dat een jaar later begon met de uitgave van het tijdschrift Die Afrikaanse Patriot. Daarin zijn de eerste aanzetten tot Afrikaanse literatuur te lezen.  

Vanaf dit tijdstip werden ook pogingen ondernomen spelling en grammatica vast te leggen. De standaardisering van Afrikaans gaf de (blanke) Afrikaner gemeenschap een taal waarmee zij zich onderscheidden van andere etnische groepen binnen de Zuid-Afrikaanse samenleving; groepen die elk hun eigen variant van die taal spraken, zoals Oranjerivierafrikaans dat vooral door Khoi-afstammelingen gesproken werd en Kaaps of ‘Kleurling’-Afrikaans.

De Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) was een geweldige stimulans voor het Afrikaner nationalisme en voor de verdere ontwikkeling van Afrikaans. De Nederlandse taal, schreef de latere premier D.F. Malan al in 1902, was een vreemde taal geworden in Zuid-Afrika; het bezat de ‘volksliefde’ niet en was daarom geen geschikt wapen in de strijd tegen anglisering. De schrijvers C.J. Langenhoven en J.F.E. Celliers drukten dit gevoel nog wat sterker uit door te stellen dat Nederlands, als gevolg van decennialange Engelse culturele dominantie, onder Afrikaners het stigma van minderwaardigheid had gekregen.

De emancipatie van het Afrikaans die in de jaren hierop volgde, werd door belangstellenden in Nederland goedkeurend gevolgd, al ging het proces af en toe met excessen gepaard. Zo heerste nogal wat verontwaardiging over een voorval in Rustenburg, waar een onderwijzer alle Nederlandse boeken waarover zijn school beschikte verbrandde omdat ‘dit sy leerlinge deurmekaar maak om Afrikaans te leer en Nederlands te lees’. Daartegenover stond echter dat veel Afrikaner intellectuelen het belang van de band met het Nederlands benadrukten. Zo stelde dichter C. Louis Leipoldt dat de jonge Afrikaanse letterkunde ‘sal kwyn en verdwyn as nie steun gesoek word by die Nederlandse letterkunde van vandag en die verlede nie’ en betoogde de taalkundige J.J. Smith dat, wanneer de band met Nederland onverhoopt zou worden losgelaten, de Afrikaners wellicht nog ‘honderd of twee honderd jaar mag bestaan as ’n interessante volkie met ’n eie poëtiese literatuur, maar ’n kultuurvolk met ’n kultuurtaal sal ons nie wees nie’.

De verdringing van Nederlands door Afrikaans werd vanuit nationalistisch perspectief als noodzaak gezien. Simpelweg omdat het, volgens de hierboven al aangehaalde D.F. Malan, ‘als honderdmaal gemakkelyker dan Hollandsch, het in den stryd om ’t bestaan tegen ’t Engels ’t beter uithouden kan’. Ook in Zuid-Afrika woonachtige Nederlanders deelden die mening. H.M. Muller, een in Pretoria gevestigde Nederlander,  schreef hierover: ‘Wie onzer herinnert zich niet het pijnlike van de positie van de Afrikaner, als hij Hollands moest spreken of schrijven en het niet kon. Vroeger was ’t voor een Hollander pijnlik om b.v. te horen “Het overledene heeft gesterf in het ouderdom van 68 jaren,” of iets dergelijks’.  

In 1925 was de strijd gestreden en werd Afrikaans erkend als een van de officiële talen van de toenmalige Unie van Zuid-Afrika. Dat wil zeggen: in de grondwet werd toen vastgelegd dat met ‘Hollands’ voortaan ook Afrikaans werd bedoeld. De vertaling van de Bijbel in 1933 was eveneens een mijlpaal. Het duurde nog tot 1961 (republiekwording) voordat in de grondwet werd vastgelegd dat de ambtelijke talen van Zuid-Afrika voortaan uitsluitend Afrikaans en Engels zouden zijn, hoewel toen weer een clausule werd opgenomen dat onder ‘Afrikaans’ ook Nederlands werd verstaan. Dat bleef zo tot in 1983, toen deze clausule kwam te vervallen en Nederlands formeel zijn status als een van de officiële talen van de Republiek van Zuid-Afrika verloor.

Géén kindertaaltje!

Afrikaans is de enige belangrijke Indo-Europese taal die zich voor een groot deel ontwikkeld heeft op het Afrikaanse continent. Tot op de dag van vandaag kunnen Nederlands- en Afrikaanstaligen elkaar, zij het met een beetje goede wil, verstaan. Over de verschillen tussen de twee talen is al veel geschreven en vanuit verschillende linguïstische invalshoeken hebben geleerden zich gebogen over de vraag hoe de ontwikkeling van Afrikaans tot een eigen, volwaardige taal nu precies is verlopen. Tot vrij recent gingen de meeste deskundigen ervan uit dat Afrikaans al rond het midden van de achttiende eeuw een duidelijk eigen taal was. In de laatste jaren heeft Ana Deumert (Universiteit van Kaapstad) de Kaapse taalgeschiedenis echter meer en meer binnen een sociolinguïstisch kader geplaatst en daarmee laten zien dat Afrikaans ook lang na 1750 nog volop in beweging was. Zij baseert zich hierbij op een grote hoeveelheid Kaaps-Hollands materiaal, dat zo’n 350 voorheen ongepubliceerde brieven en dagboekfragmenten omvat die geschreven zijn tussen 1880 en 1922.

Tot slot: de band tussen Afrikaans en Nederlands is geen voltooid verleden tijd. In veel opzichten zijn de twee talen nog altijd nauw met elkaar verbonden. Zo heeft de Australische taalkundige Bruce Donaldson terecht gewezen op het feit dat het, vooral in the ‘higher registers’, vaak moeilijk is onderscheid te maken tussen de Afrikaanse en de Nederlandse woordenschat. Daarnaast sijpelen ook in de morfologie van Afrikaans nogal wat Nederlandse structuren door, zoals bij de inflectie van adjectieven. Maar mag Afrikaans daarom  ‘gekortwiekt Nederlands’ worden genoemd (zij het met prachtige restanten uit de zeventiende-eeuwse taal), zoals schrijver en recensent Wam de Moor in 1979 deed? Nee, zegt Donaldson, die al helemaal niets moet hebben van Nederlanders die Afrikaans slechts als een ‘kindertaaltje’ beschouwen: ‘So-called simplification of certain aspects of the grammar has been compensated for by new difficulties, not present in Dutch.’ Opvallende voorbeelden zijn de dubbele ontkenning en het gebruik van ‘vir’ in objectconstructies. Donaldson wijst er met nadruk op dat de invloed van het Engels via informele spreektaal erg groot is en ook doorsijpelt naar modern formeel Afrikaans. Dit wordt zeker niet alleen als negatief ervaren. T.J.R. Botha schreef bijvoorbeeld in 1989: ‘In die wedloop om nie te ver agter te raak by Engels nie het Afrikaans as jong kultuurtaal spierkrag en stamina ontwikkel - waarvoor ’n klompie Anglisismes nie ’n te hoë prys is nie.’  Onder invloed van globalisering zet dit proces door, maar er zijn ook prachtige ‘local is lekker’ etnische woorden uit de township-omgeving (zoals ‘eish’) die ondertussen helemaal ingeburgerd zijn in Afrikaans. 

Ena Jansen is bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en universitair docent en onderzoeker aan de Vrije Universiteit. 

Zuid-Afrikahuis    Keizersgracht 141-C    1015 CK Amsterdam Nederland    tel: +31-20-6249318    fax: +31-20-6382596