Archief

Pieter-Jan van Winters vooruitziende blik over het apartheidsbeleid, 1946-1977

30 november 2021
Auteur: Joppe Bastiaansen
Foto: Joppe Bastiaansen / Foto door: Team Zuid-Afrikahuis

Delen:

In juli van dit jaar rondde ik mijn onderzoek af over de verandering in de beeldvorming over stamverwantschap en de apartheid in het Maandblad Zuid-Afrika in de periode van 1946 tot 1977. In totaal analyseerde ik hiervoor meer dan 900 artikelen uit het Maandblad Zuid-Afrika, die te raadplegen waren via de bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis. In een eerder artikel uit april dat voortkwam uit dit onderzoek was al te lezen welke betekenis het begrip stamverwantschap had in het Maandblad en hoe dit zich ontwikkelde in de periode van 1946 tot 1960. Het idee van stamverwantschap werd met name gebruikt om de banden tussen Nederland en Zuid-Afrika te herstellen, met als doel migratie te bevorderen. In de tweede helft van de jaren vijftig kwam de migratie van Nederland naar Zuid-Afrika onder druk te staan door de toenemende kritiek op het apartheidsregime. In dit vervolgartikel wordt duidelijk hoe er in het Maandblad over dit beleid werd bericht. Daarbij speelde de Pieter-Jan van Winter een essentiële rol. In de hoedanigheid van hoofdredacteur was hij eindverantwoordelijk voor alle artikelen die in het blad verschenen. Een deel van de artikelen werd geschreven door gastredacteuren of opiniemakers. Deze artikelen werden ondertekend met de eigen naam van de schrijver. Een groot deel van de artikelen werd echter niet ondertekend. Dit zijn redactionele stukken, opgesteld door verschillende redacteuren van het Maandblad. In het kader van dit onderzoek is een interview uitgevoerd met voormalig hoofdredacteur Gerrit-Jan Schutte. Hieruit kwam naar voren dat het Van Winter was die uiteindelijk toestemming moest geven om deze stukken te publiceren. De stukken verschenen dus na goedkeuring onder zijn naam in dit blad. Er is in dit onderzoek dan ook gekozen om bij deze stukken Van Winter als auteur aan te merken. Het lijkt daarom of de voormalig hoofdredacteur wel een erg prominente rol speelt in dit onderzoek. Dit is deels waar, maar uiteindelijk gaat het in de meeste gevallen om redactionele stukken, waarvan niet te achterhalen is wie de daadwerkelijke schrijver is. 

In dit artikel wordt duidelijk wordt hoe de berichtgeving over de apartheid in het Maandblad veranderde gedurende de periode tussen 1946 en 1977. In deze periode draaide de publieke opinie over de apartheid in Nederland 180 graden. Waar er net na de oorlog sympathie was voor de apartheid, veranderde dit vanaf de tweede helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Door geweldplegingen in Sharpeville in 1960 en in Soweto in 1976 veranderde de publieke opinie in Nederland over het systeem definitief. Maar hoe ging het Maandblad met deze verandering om? 

De jaren van toenadering; 1946-1952

Om inzicht te krijgen in de berichtgeving over de apartheid in het Maandblad zijn alle nummers tussen 1946 en 1960 geanalyseerd. In de grafiek die als gevolg van deze analyse is opgemaakt, wordt duidelijk dat er in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog weinig werd geschreven over de apartheid in het Maandblad. Uit het vorige artikel bleek dat de redactie vooral bezig was met het herstellen van de banden tussen Nederland en Zuid-Afrika. De nadruk in de artikelen lag dan ook op het benadrukken van het gevoel van stamverwantschap. 

De eerste keer dat het woord apartheid wordt gebruikt in het blad is in het maart-aprilnummer van 1947 in een overzicht van de actualiteit. Het woord heeft betrekking op een onderdeel van een motie die toenmalig oppositieleider D.F. Malan van de Nasionale Party indiende. Malan vraagt in een debat met president Smuts aandacht voor de uitwerking van het ‘kleurenvraagstuk’, waarin hij doelt op de verhouding tussen de ‘kleurlingen’ ten opzichte van de blanke bevolking en van elkaar. Met ‘kleurlingen’ bedoelt Malan de zwarte en Aziatische Zuid-Afrikanen. Hij geeft in deze context aan dat de verschillende bevolkingsgroepen niet gelijkwaardig zijn en andere belangen hebben. Het Maandblad omschrijft wat Malan heeft gezegd, maar er wordt verder niet toegelicht wat er precies met de motie wordt bedoeld. Met het artikel beoogt de redactie verslag te doen van het debat, waarin de positie van Zuid-Afrika in de Verenigde Naties centraal stond. Er wordt verder geen oordeel gegeven over hoe dit debat geïnterpreteerd dient te worden.  

Wat Van Winter, hoofdredacteur van het blad gedurende de gehele periode die in dit artikel centraal staat, tijdens het schrijven nog niet kon weten, was dat deze motie in werkelijkheid erg belangrijk was. Zij vormde het begin van Malans apartheidspolitiek. De theorie waarop dit beleid gebaseerd was, is te herleiden naar de vacant land myth. Lange tijd verkondigde de Zuid-Afrikaanse regering dat de Bantoevolken zich tegelijkertijd met Van Riebeeck vestigden in het gebied dat we vandaag de dag als Zuid-Afrika kennen. Vanuit Centraal-Afrika migreerden de Bantoevolken steeds verder naar het zuiden totdat ze in het noorden van Zuid-Afrika kwamen. In de loop van de achttiende eeuw zouden de bevolkingsgroepen met elkaar in conflict zijn geraakt, toen de Xhosa, een van de Bantoevolken, het gebied van de witte kolonisten binnendrong. Dit verhaal werd vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw ontkracht. In werkelijkheid was de Bantoebevolking al in het gebied van de Kaap toen Van Riebeeck er in 1652 aan land kwam. 

Op basis van de vacant land myth vond de witte bevolking dat zij meer rechten had dan de gekleurde Afrikanen, zij zag Zuid-Afrika als haar land. Dit werd bijvoorbeeld expliciet benoemd door Hendrik Verwoerd, die in 1958 namens de Nasionale Party president van Zuid-Afrika werd. Hij verdedigde het apartheidsbeleid op basis van deze theorie door te zeggen: ‘We came to a country that was bare. […] Look at how we developed and beneficiated land that had nothing.’ Door de komst van de witte Europeanen in Zuid-Afrika had het land zich kunnen ontwikkelen, redeneerde Verwoerd. Zij hadden daarom meer rechten dan de gekleurde bevolking. De Nasionale Party zou tot de apartheid in 1994 werd afgeschaft de grootste partij van Zuid-Afrika blijven en in deze periode altijd de president van het land leveren.

In de aanloop naar de verkiezingen van 1948 verscheen het woord apartheid vaker in het Maandblad, al was het nog steeds niet veel voorkomend. In november 1947 komt het woord apartheid pas voor de derde keer terug. Het werd gebruikt in een artikel dat verscheen naar aanleiding van de volkstelling in Zuid-Afrika en het is de eerste keer dat in het Maandblad wordt toegelicht hoe het woord geïnterpreteerd moet worden. Uit het artikel, geschreven door Van Winter, blijkt dat het aantal gekleurde Zuid-Afrikanen in tien jaar tijd harder is gestegen dan het aantal witte Zuid-Afrikanen. Van Winter citeert een stuk uit Die Volksblad, het oudste Afrikaanstalige dagblad, waarin staat dat de cijfers ‘tot ernstig nadenke behoort te stem’. De beschuldiging dat de witte Zuid-Afrikanen de gekleurde Afrikanen onderdrukken gaat volgens Die Volksblad niet op, omdat een groep zich in dat geval nooit zo ver zou hebben kunnen uitbreiden. Daarnaast roept het blad op dat de witte Afrikanen moeten oppassen dat de grote steden niet worden overspoeld door gekleurde Afrikanen waardoor ‘ons blanke beskawing deur die swart massas verswelg word’. Dit kan alleen voorkomen worden ‘deur die kleurvraagstuk in sy volle omvang op die grondslag van voogdyskap en apartheid aan te pak’. 

Vervolgens wordt uitgelegd dat de apartheid dient als oplossing voor het ‘naturellenvraagstuk’, waarmee het ‘probleem’ van het toenemend aantal gekleurde Afrikanen in de grote steden wordt bedoeld. De gekleurde Afrikanen moesten worden verbannen uit de stad omdat de witte bevolking meer rechten zou toekomen dan de gekleurden in het land, zij waren er immers eerder. Men was bang dat door de enorme toename van het aantal gekleurde Zuid-Afrikanen de samenstelling van de bevolking zou veranderen en het karakter van de natie zou worden aangetast. Dit is ook terug te lezen in het Maandblad

Wanneer wij ons dit oordeel uitspreken dan willen wij ons daarbij stellen op het Zuid-Afrikaanse standpunt, dat op grond van het recht van geboorte en occupatie – het oude ‘droit de naissance’ en ‘droit de conquête’, Zuid-Afrika het land der blanken is. De blanken waren er honderd jaar eerder dan de Bantoes. Zij hebben het land tot ontwikkeling gebracht en zwarte prototypen van Hitler die met hun horden uit het Noorden kwamen, vernietigd, de naturellen in de plaats daarvan een vreedzaam bestuur gegeven en ondanks alle misstanden die er nu nog zijn hun de gelegenheid tot ontwikkeling en ontplooiing verschaft.

Dit citaat laat duidelijk zien hoe de hoofdredacteur van het Maandblad aankijkt tegen de verhoudingen tussen de witte en gekleurde bevolking in het land. Uit het citaat blijkt dat Van Winter dezelfde redenering voert als Verwoerd. Hij baseerde zich ook op de theorie van de vacant land myth en was in de veronderstelling dat de witte bevolking meer recht had om in de Kaap te wonen omdat de witte Europeanen het gebied eerder zouden hebben ‘ontdekt’ dan de ‘zwarte Bantoes’, de oorspronkelijke bewoners van het Afrikaanse continent. 

Van Winter omschrijft de ‘Bantoes’ in het artikel als prototype van Hitler, een saillante vergelijking zo kort na de Tweede Wereldoorlog. Hij wilde hiermee aangeven hoe gewelddadig en gruwelijk de Bantoevolken in zijn optiek zijn. Van Winter deelt de opvatting dat deze groep moet worden uitgesloten van het samenleven met de witte Afrikanen. Juist deze uitsluiting van een specifieke groep doet denken aan het gedachtegoed van Hitler. De gekleurde bevolking moest volgens de redenering van de hoofdredacteur bovendien blij zijn met de ontwikkelingen die het land had doorgemaakt. Dit was volgens hem toe te schrijven aan de witte bevolking. Daarbij maakt hij een duidelijk onderscheid tussen ‘wit’ en ‘gekleurd’, maar hij staat niet stil bij de relatie tussen de Afrikaans- en Britssprekende bevolking. Ook gaat hij niet in op andere migrantengroepen, zoals de Aziaten (‘Indiërs’), die volgens het artikel de snelst groeiende groep is in het land. 

Van Winter laat zich in het artikel ook kritisch uit over de tegenstanders van de apartheid. ‘Vooral de Engelssprekenden buiten de Unie die graag de staf breken over de naturellenpolitiek in Zuid-Afrika mogen bovenstaand gerust ter harte nemen en eens kijken wat er van de inboorlingen-bevolking van Australië overgebleven is’, schrijft hij meteen na bovenstaand citaat. Iedereen die het apartheidssysteem veroordeelt moet zich volgens Van Winter bewuster zijn van de situatie in het land en van de rol die de witte bevolking heeft gespeeld bij de ontwikkeling in Zuid-Afrika. De Britten die het apartheidssysteem verwerpen moeten volgens hem kritischer naar zichzelf kijken omdat ze jarenlang inheemse bevolkingsgroepen in Australië hebben onderdrukt op een manier die nog veel destructiever zou zijn dan de situatie in Zuid-Afrika. De inheemse bevolking in Australië werd, op basis van de vacant land myth, jarenlang in reservaten gestopt en financieel uitgebuit, terwijl dat in Zuid-Afrika in mindere mate aan de orde zou zijn. Hiermee schaart Van Winter zich volledig achter het standpunt van de Nasionale Party, die op dat moment nog niet aan de macht was en de apartheidswetten dus nog niet had kunnen invoeren.

Wat de apartheidsregels precies inhouden en hoe de steden dan moeten worden vrijgemaakt van gekleurde Zuid-Afrikanen komt niet naar voren in de artikelen van Van Winter uit 1947. In 1948, Een paar maanden voordat de verkiezingen beginnen, wordt hier wel bij stilgestaan in een uitgebreid artikel van Van Winter waarin een deel van de plannen van Malan worden uiteengezet. Te lezen valt dat er in de nationalistische plannen van de leider van de Nasionale Party onderscheid gemaakt wordt tussen verschillende groepen: de ‘Naturellen’, de ‘Indiërs’ en de ‘kleurlingen’. 

Over de ‘Naturellen’, de zwarte Zuid-Afrikanen, is Malan duidelijk. Als hij president wordt, worden zij verbannen naar reservaten die ‘het ware vaderland voor de zwarte worden. […] In de steden zal de neger slechts een bezoeker zijn, zonder politieke of maatschappelijke rechten.’ De ‘Indiërs’, of Aziaten, worden beschouwd als ‘vreemde, uitheemse en niet assimileerbare elementen’. Zij dienen als immigrant behandelt te worden en moeten ‘zoveel mogelijk naar hun land van herkomst [worden] teruggeleid’. Er mogen geen nieuwe Indiërs het land in en de migranten die er al zijn ‘dienen aan restricties te worden onderworpen’, valt te lezen in het artikel.

Tenslotte wordt er stilgestaan bij de rechten van de kleurlingen. ‘De kleurlingen zijn geen vreemdelingen.’ Schrijft Van Winter, maar hij benoemt niet expliciet wie er onder deze groep valt. In werkelijkheid gaat het hier om iedereen die geen ‘Naturel’, ‘Indiër’, of wit persoon is. De kleurlingen worden niet weggestopt in reservaten, ‘het is niet de bedoeling [ze] de woestijn in te sturen’, maar ze moeten wel in afzonderlijke woonbuurten wonen. Ze mogen niet trouwen met een witte en krijgen ‘een afwijkend onderwijsstelsel dat niet gericht is op de hoge intellectuele eisen die aan een blanke elite gesteld moeten worden’.

Het zijn met name de zogeheten ‘kleurlingen’ die in verzet komen tegen de plannen van Malan. Zij ‘aanvaarden niet dat zij onder blanke voogdij staan en met de naturellen in een grote groep worden ondergebracht’. Van Winter deelt deze opvatting. Hij vindt het niet verstandig om meteen onderscheid te maken tussen vier verschillende ‘klasse’. Hij schrijft dat de nationalisten:

eerlijk kunnen verklaren dat zij het met de kleurlingen goed voor hebben, maar dan in een andere richting dan waarnaar de betrokkenen zelf kijken. Het kan soms plicht zijn om in zo’n geval toch door te zetten. Wij vragen ons in dit geval af of Zuid-Afrika met de Indiër-quaestie acuut en het naturellenvraagstuk dreigend op de voorgrond, nu werkelijk ook nog de kleurlingen moet gaan opschrikken. 

Door het woord ‘wij’ te gebruiken in de tekst maakt Van Winter het aannemelijk dat de hele redactie deze opvatting deelt en zij als één blok spreken. Het Maandblad zet zich in dit artikel overduidelijk niet af tegen de plannen van Malan. Wel zijn er enige twijfels bij de vraag of er ook onderscheid gemaakt moet worden tussen de witte Afrikanen en de ‘kleurlingen’. De Nasionale Party gelooft namelijk in apartheid én ‘rassenvrede’. ‘Het is wel zeker dat van vrede geen sprake kan zijn, wanneer men één der partijen gaat treffen in wat hem het dierbaarst is’, zo valt te lezen. Dit is de enige kritiek in dit artikel op de plannen van Malan. De plannen om de ‘naturellen’ en Indiërs te verbannen uit de steden worden niet veroordeeld maar ook niet toegejuicht. Het artikel is op een vrij neutrale toon geschreven en lijkt vooral bedoeld om de plannen van de nationalistische oppositieleider uiteen te zetten in de aanloop naar de verkiezingen die later in die maand zullen plaatsvinden. 

Zoals in het vorige artikel al te lezen was, wint Malan in 1948 tot ieders verbazing in Nederland de verkiezingen. In Nederland wordt hier voornamelijk geschokt op gereageerd omdat de partij van Malan zich tijdens de oorlog afzijdig had gehouden en als pro-Duits werd gezien. Het Maandblad schrijft echter dat terughoudendheid gepast is in ‘een land waar de verhoudingen zo geheel anders zijn dan bij ons’. Van Winter neemt het op voor de Afrikaners die op Malan hebben gestemd omdat ze onder zijn bewind eindelijk een eigen vorm van beleid kunnen ontwikkelen. Onder zijn voorganger Smuts was het beleid namelijk ‘op Engelse leest […] geschoeid.’ 

Vanaf het jaar dat Malan aan de macht komt, neemt het aantal artikelen waarin de apartheid een rol speelt sterk toe. In de jaren die daarop volgen stagneert dit aantal, ondanks het feit dat het Maandblad in aantal pagina’s meer dan verdubbelde. In de betreffende artikelen wordt vooral geduid hoe het apartheidsbeleid van Malan geïnterpreteerd moet worden. Daarbij wordt onderstreept wat Malan juist allemaal probeert te bewerkstelligen voor de Afrikaners, de oorspronkelijke ‘stamgenoten’ van de Nederlanders. Het is niet opmerkelijk dat de redactie deze houding aanneemt en de plannen niet bekritiseerd. In deze tijd probeerde de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (NZAV) de banden met de Afrikaners immers aan te halen. Bovendien blijkt uit het jaarverslag van de vereniging dat de voorbereidingen voor het Van Riebeeckjaar, dat eveneens uitvoerig is besproken in het vorige artikel, al in volle gang waren. Een kritische houding zou deze voorbereidingen alleen maar in de weg zitten.

De apartheid in perspectief geplaatst, hemels of hels? 

Vanaf de tweede helft van de jaren 1950 komt er vanuit Nederland langzamerhand meer kritiek op het apartheidsregime. Een van de eerste tijdschriften die zich kritisch uitliet over het beleid was het weekblad Vrij Nederland. De kritieken uit dit blad werden ook besproken in het Maandblad. Zo valt in december 1954 te lezen dat Vrij Nederland in november van dat jaar een artikel publiceerde met als titel ‘Zuid-Afrika. Knipsels delen U de feiten mee’. Het artikel omvat ‘rechtbanknieuws met berichten over gruwelen en misstanden die als gevolg van de rassendiscriminatie aan de orde van de dag zouden zijn’. Hiermee insinueert Vrij Nederland volgens het Maandblad dat er als gevolg van de apartheid veel criminaliteit in Zuid-Afrika was. Deze criminele daden zouden met name worden uitgevoerd door witte Afrikanen. Van Winter reageert hierop door zich in het artikel af te vragen of ‘rechtszaken wel ooit een goed beeld geven van een samenleving? Komen daarin niet altijd slechts de zwarte plekken naar voren, die onvermijdelijk in elke samenleving voorkomen?’ Hiermee zet hij zijn vraagtekens bij de objectiviteit van de kritiek die door Vrij Nederland is opgetekend. 

In eerste instantie is zijn reactie nog genuanceerd door zich af te vragen of het analyseren van rechtbanknieuws wel een goede manier is om de problemen over de apartheid te duiden. Even later in het artikel wordt hij kritischer, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat de redacteur van Vrij Nederland de aanklachten uit de rechtszaal presenteert als feiten: ‘wij achten het gebodene veeleer interpretatie van feiten’ schrijft hij als repliek hierop. Hiermee wordt duidelijk dat deze opvattingen opnieuw door de gehele redactie van het Maandblad worden gedeeld. 

Verderop in het stuk wordt duidelijk dat de apartheid in beide tijdschriften op een andere manier wordt geïnterpreteerd. Vrij Nederland keurt het apartheidsbeleid af, terwijl de redactie van het Maandblad de kritieken juist nuanceert. De schrijvers van Vrij Nederland zijn in de ogen van het Maandblad ‘geladen met een blinde haat. Zij verliezen alle verhoudingen uit het oog.’ Hun felle kritieken op het apartheidsbeleid worden gepareerd met de opmerking dat ‘wie zich aan het leven van een naturel vergrijpt, gestraft wordt’. Hiermee redeneert het Maandblad dat de apartheid, in tegenstelling tot wat Vrij Nederland insinueert, een normaal rechtssysteem is. De berichtgeving in het Maandblad is echter ook niet geheel objectief. In het artikel van Vrij Nederland wordt besproken welke rechtszaken behandeld worden. Deze inhoudelijke informatie komt niet terug in het Maandblad. Als lezer van het blad mis je daardoor essentiële informatie waardoor je geen objectief oordeel kunt vellen over de berichtgeving van Vrij Nederland. 

In de jaren die volgen valt op dat er steeds minder moeite wordt gedaan om de kritieken op de apartheid in andere media te pareren. Er ontstaat een vorm van berusting en er wordt geaccepteerd dat Nederlanders verdeeld zijn over het apartheidsregime. Zo wordt in augustus 1957 in een artikel over emigratie geschreven dat ‘zij die zich voorbereiden op emigratie naar Zuid-Afrika vroeger of later in aanraking komen met het probleem, dat in de Unie nu eenmaal een niet geringe rol speelt, de apartheid’. Uit het artikel blijkt dat dit een rol kan spelen bij de keuze om uiteindelijk wel of niet naar Zuid-Afrika te migreren. De redactie van het Maandblad probeert zijn lezers te behoeden voor een ‘innerlijk conflict’ dat op kan komen als naar een ander land wordt uitgeweken. Het blad somt cijfers op waaruit blijkt dat er in de Verenigde Staten ook een vorm van apartheid heerst en vervolgt: 

Het enige land waar apartheid toepassing vindt is de Unie blijkbaar niet. […] En horen wij ooit van een gesprek over apartheid wanneer het gaat over emigratie naar de Verenigde Staten? Waarom [wordt er] steeds op die éne zondebok, in de Unie van Zuid-Afrika, gejaagd en nooit eens een pijl aan andere bokjes gewaagd?

Met dit artikel zet de redactie van het Maandblad zich opnieuw af tegen de negatieve verhalen die in de media verschenen. Vanuit het perspectief van de NZAV lijkt er een lastercampagne te zijn ontstaan tegen de migratie richting Zuid-Afrika. Maar dat betekent niet dat er in andere aantrekkelijke migratiebestemmingen geen problemen zijn. Zo wordt geprobeerd om de aandacht te verleggen naar andere landen waar ook niet alles even soepel verloopt.

Dit wordt ook benadrukt in een artikel dat in 1960 werd geschreven door de Rotterdamse predikant G.J.H. Gijmink. In het kerkblad Gemeente Opbouw komt hij op voor de situatie in Zuid-Afrika onder het mom van ‘laten we er eens wat goeds van zeggen!’ Het Maandblad neemt zijn artikel over en schrijft erbij dat het erg makkelijk is om ‘met het grote koor in te stemmen en over Zuid-Afrika de staf te breken, vooral wanneer wij er eigenlijk niets van weten’. Gijmink vergelijkt het praten over Zuid-Afrika als roddelen: ‘Vindt u roddelen ook zo prettig?’, vraagt hij de lezer. ‘Heel veel mensen doen dat! Roddelen geeft je immers het heerlijke gevoel, dat je boven een ander staat. […] Speciaal als je een hekel aan hem hebt, is het machtig, over hem te roddelen.’ Vervolgens schrijft hij dat heel veel mensen roddelen over Zuid-Afrika. Zelfs op internationaal niveau, want ‘daar in Zuid-Afrika hebben ze apartheid, foei, en dat hebben we bij ons toch maar niet’. 

Hij somt in het artikel op wat er in andere landen allemaal misgaat.  Zo heeft hij het over een Amerikaanse gouverneur die ‘negers lyncht’. Hiermee verwees hij naar het brute geweld dat plaatsvond tegen zwarte Amerikanen in de jaren 1950. Ook benoemde Gijmink ‘dat kleine moeilijkheidje van Little Rock’. Hier werden negen zwarte scholieren geweerd van een middelbare school in de Verenigde Staten. Na hevige protesten werden ze uiteindelijk toch toegelaten. En in Engeland was er ‘een probleem als Notting Hill […] met gevechten tussen blank en zwart’. Hiermee doelde de predikant op een gewelduitbarsting in Engeland in de zomer van 1958 waarbij honderden witte Britten de straat op gingen en zwarte inwoners aanvielen. In de Arabische staten hebben ze de slavernij gehandhaafd, in Indonesië is de democratie geofferd ‘aan een Soekarno-dictatuur’, zo gaat Gijmink nog even door met het bekritiseren wat er in andere landen misgaat en waar naar zijn idee te weinig aandacht voor is. Hij besluit het artikel door iets goeds te zeggen over Zuid-Afrika:

Natuurlijk is het geen hemel, evenmin als in Nederland, maar het is er zeker geen hel, evenmin als in Nederland. Daar en hier zoekt men eerlijk en naar beste weten naar een oplossing voor eigen problemen, waartoe ieder volk en land zelf het meest bevoegd is. En als u beslist toch roddelen wilt, wat denkt u van een nummertje Indonesië, Spanje, Rusland, Arabische staten, Engeland of Amerika? Dat is dan eens wat anders.

Op deze manier wordt duidelijk geprobeerd om de aandacht te verleggen naar andere plekken op de wereld waar ook vaak spanningen en ongeregeldheden zijn, maar waar je naar mening van de redactie van het Maandblad te weinig over hoort. Door de publicatie van dit artikel wordt wel erkent dat in Zuid-Afrika ook niet alles goed geregeld is en dat de apartheid inderdaad een groot probleem is. Toch proberen ze er alles aan te doen om de negatieve opvattingen in perspectief te plaatsen. 

Van Sharpeville naar Soweto

In dezelfde maand waarin het artikel van Gijmink in het Maandblad verscheen, vonden er in het township Sharpeville, nabij Johannesburg, protesten plaats tegen de invoering van de pasjeswetten. De Zuid-Afrikaanse politie opende het vuur op vreedzame demonstranten, waarbij 69 doden vielen en meer dan 180 mensen gewond raakten. Deze protesten vormden zoals eerder besproken het begin van een veranderende kijk op de apartheid onder het grootste deel van de Nederlandse bevolking. Zo niet in het Maandblad, waar de protesten worden genuanceerd. 

In april 1960 is hierin te lezen dat dergelijke protesten niet op zichzelf staan. ‘Zij zijn in veelrassige conglomeraties overal ter wereld een verschijnsel dat van ouds bekend is, ook in Zuid-Afrika.’ Opnieuw wordt hier geprobeerd de negatieve opvattingen in perspectief te plaatsen en worden de problemen in Zuid-Afrika vergeleken met problemen in andere landen. Sharpeville wordt in het tijdschrift omschreven als een lastige buurt, waar wel vaker onrust heerst. De zwarte Zuid-Afrikanen gaan daar niet vrijuit. Ze zouden de politie hebben uitgedaagd door zonder passen de straat op te gaan en zich voor arrest hebben aangeboden. ‘Toen de politie daarop niet inging, is geprobeerd op andere manieren de aandacht te trekken. [Dit] heeft tenslotte tot de eerste noodlottige schietpartijen geleid.’ In het blad is niet te lezen wie er verantwoordelijk was voor het lossen van de schoten, de politie of de protesterende Afrikanen. In werkelijkheid was het in eerste instantie een vreedzaam protest, waarbij de politie het vuur opende. 

Het Maandblad reageert in het artikel ook op de reactie van de wereldwijde pers, die zich in sterke woorden uitsprak over de ‘schandalige toestanden in Zuid-Afrika’. Ook dit wordt genuanceerd. ‘Alsof er zo maar uit moordlust geschoten was op mensen die van de prins geen kwaad wisten. […] Zo simpel en duidelijk liggen rassenconflicten niet.’ Het blad laat hiermee duidelijk een ander geluid horen dan de het merendeel van de stemmen in de Nederlandse pers, die het geweld vrijwel unaniem veroordeelde. De redactie van het Maandblad wil aantonen dat de situatie in Zuid-Afrika veel complexer is dan men in Nederland en in de rest van de wereld denkt. In hetzelfde artikel wordt opnieuw benadrukt dat de apartheid juist een goed systeem is voor de ‘niet-blanken’, bijvoorbeeld omdat ze door dit beleid nieuwe en betere woningen krijgen. 

In artikelen die in de volgende jaren verschijnen valt te lezen dat de algehele publieke opinie in Nederland aan het veranderen is. Als gevolg van de ‘culturele revolutie’, gingen steeds meer Nederlanders zich bemoeien met buitenlands beleid. Zeker ook met dat van Zuid-Afrika. ‘Iedereen in Nederland spreekt erover. De meesten zijn “er tegen”; een gering aantal is “ervoor”’, zo schrijft D. Hofmeijer, directeur van de Nederlandse Emigratiedienst in november 1964 in het tijdschrift Elders, een blad dat werd uitgegeven door de dienst. Het artikel wordt overgenomen in het Maandblad. Hofmeijer merkt op dat weinig Nederlanders de moeite nemen ‘een poging te wagen de vele problemen, waarmee Zuid-Afrika worstelt, objectief te bezien’. Hij baseert zijn bevindingen op een rondreis die hij in november 1964 door Zuid-Afrika heeft gemaakt. Tijdens deze reis sprak hij met meer dan 250 (oud-) Nederlanders. Het uitgebreide artikel is een lofzang op Zuid-Afrika en zijn bevolking. 

Over het algemeen blijft de berichtgeving in het Maandblad vooral kritisch op de eenzijdige publieke opinie in Nederland ‘die tot uitdrukking komt in de massamedia’.  Dit is iets wat vaak benadrukt wordt binnen de kringen van de NZAV. In mei 1968 verschijnt er een samenvatting van het voorwoord uit het NZAV-Jaarverslag in het Maandblad. De strekking van de ‘opmerkelijke beschouwing’ is dat ‘de “dialoog” tussen Nederland en Zuid-Afrika een schimmenspel is, een schijngesprek’. Dit komt omdat de opvattingen van beide kanten ‘hun wortels vinden in de binnenlandse politiek en het eigen verleden’. Daarbij is de wond die de Tweede Wereldoorlog heeft achtergelaten in Nederland duidelijk nog niet geheeld. De Nederlander baseert zich bij het verwerpen van de apartheid volgens de Zuid-Afrikaanse Du Toit, de schrijver van het voorwoord, te veel op de jaren van de Duitse bezetting:

Het tragische lot van de Joden in die jaren heeft Nederland bijzonder gevoelig gemaakt voor alles wat met discriminatie te maken heeft. En voor de gemiddelde Nederlander betekent Zuid-Afrika apartheid en apartheid wil dan zeggen rassendiscriminatie. […] Verdedigen van apartheid hier te lande wordt in die gedachtegang uitgelegd als verbloemde voortzetting van fascisme, anti-semitisme en collaboratie. Zuid-Afrika en apartheid dienen als sjibolet [sic] om net als in de oorlogsjaren goed en fout te onderscheiden.

De strekking van het betoog van Du Toit is dat veel Nederlanders niet objectief kijken naar wat er in Zuid-Afrika gebeurt en laten zich, ten onrechte, te veel leiden door eigen ervaringen uit het eigen verleden. Het apartheidsregime is volgens hem niet te vergelijken met het Naziregime, terwijl die vergelijking veelvuldig gemaakt wordt. Deze redenatie heeft volgens hem geen effect. ‘Zeker niet wanneer als doel wordt gesteld om Zuid-Afrika tot het inzicht van zijn dwalingen te brengen en tot het besluit zijn verkeerde beleid te vervangen door het Nederlandse alternatief, wat dat dan ook zijn moge.’

Het verwijt dat Nederlanders een verkeerd beeld hebben van wat er speelt in Zuid-Afrika en te kortzichtig oordelen over wat er gebeurt, is een thema dat steeds terugkeert in het Maandblad. Dit komt expliciet terug in een artikel geschreven door Pieter Korthuys, journalist en voormalig attaché voor pers- en culturele zaken van de Nederlandse ambassade in Zuid-Afrika in het juli-augustus nummer van 1975. Korthuys verbleef in juni van dat jaar een maand in Zuid-Afrika en deelt zijn bevindingen met de lezers van het blad. 

Evenals bij vorige bezoeken had ik het gevoel dat de kritische kwaadsappigheid van velen in Nederland onbeduidend en machteloos is ten opzichte van wat daar ginds werkelijk leeft. Ik bedoel niet de deskundige en gerechtvaardigde kritiek maar de veroordeling van vrijwel alles dat met Zuid-Afrika te maken heeft. Die lijkt op een lastige steekvlieg die een olifant tracht te prikken. Deze gaat echter ongestoord zijn eigen weg. Of wijkt hij de laatste tijd van zijn pad af? 

Met deze laatste zin doelt Korthuys op de veranderingen die in Zuid-Afrika hebben plaatsgevonden. Hij merkt direct na aankomst op het vliegveld op dat het land een enorme ontwikkeling had doorgemaakt. ‘Geen scheiding tussen mensen van verschillend ras. Tekenen van welvaart overal. Meer auto’s van zwarten, soms Bantoevrouwen aan het stuur. […] De winkels hebben grotere klandizie van de zwarte kopers dan tevoren, goed gekleed, zich gemakkelijk bewegend te midden van de blanke gemeenschap.’ 

In de voorafgaande jaren hadden er inderdaad veranderingen plaatsgevonden in Zuid-Afrika. Zo werd in 1974 de ‘kleine apartheid’ afgeschaft. ‘Gemeentelijke parken, musea, bibliotheken, expositiezalen en de dierentuin zijn opengesteld voor alle rassen zonder scheiding. Bordjes met slegs vir Blankes of Whites Only worden weggehaald van banken, bushaltes en toegangen,’ berichtte het Maandblad in februari 1974. In het Maandblad wordt positief op deze hervorming gereageerd. De ‘kleine apartheid’ wekte veel weerstand en heeft het land veel schade toegebracht. ‘Bij al het kwaads wat nog blijft mag dat toch wel een bemoedigende ontwikkeling heten, zou men zeggen,’ schrijft Van Winter in het openingsartikel van het blad.Dit is een opmerkelijke passage omdat hiermee erkent wordt dat toch niet alles positief is aan het apartheidsregime, maar dit wordt pas met terugwerkende kracht benoemd op het moment dat de Zuid-Afrikaanse politiek zich dit ook heeft gerealiseerd. 

Ondanks de goede bedoelingen van het afschaffen van de ‘kleine apartheid’ bleef er kritiek komen. Zo reageerde de Werkgroep Betaald Antwoord, een organisatie die was opgericht om wereldwijd racisme tegen te gaan, dat het afschaffen van de ‘kleine apartheid’ een manier was om ‘de wereld zand in de ogen te strooien. […] De bordjes gaan weg, terwijl het systeem zelf ongewijzigd blijft.’ 

In deze kritieken kon Korthuys zich absoluut niet vinden. In Nederland is men veel te kritisch, en is men niet in staat om de mening over Zuid-Afrika bij te stellen, is te lezen in zijn bevindingen:

Toen ik verdere ontwikkelingen ten goede zag, ook in de mentaliteit, zowel van blank als zwart, kreeg ik sterk het gevoel, dat veel van de kritiek in ons land ten achter is bij de feiten en slechts schopt tegen de olifant van vroeger.

Deze kritische blik, die door de anti-apartheidsbewegingen werd gedeeld, is wat hem betreft onterecht. Hij onderstreept dat de zwarte bevolking van Zuid-Afrika juist bevoorrecht is om in een land te leven waar ze het zo goed voor elkaar hebben. ‘Wanneer je dan in Zuid-Afrika goed gevoede zwarten ziet, en merkt dat zij heel goed beseffen, er beter aan toe te zijn dan velen van hun broeders in de onafhankelijke landen, krijgt het optimisme de overhand.’ Zo concludeert hij zijn bevindingen over zijn reis. 

De realiteit was anders. Het verzet tegen de apartheid laaide begin jaren zeventig op in Zuid-Afrika. Er was veel onrust in de vorm van stakingen, protesten en huurboycots. In juni 1976, exact een jaar na het bezoek van Korthuys aan Zuid-Afrika, breken de opstanden van Soweto uit. Duizenden scholieren uit deze zwarte woongemeenschap nabij Johannesburg nemen deel aan een protestmars tegen het voornemen om het Afrikaans als officiële taal verplicht te stellen op universiteiten. De politie opende het vuur op de studenten, waarbij ten minste één van hen om het leven kwam. Dit was het begin van een grote gewelduitbarsting in Zuid-Afrika en resulteerde in grote rellen, stakingen en boycots die tot eind 1977 zouden duren. Vanuit de hele wereld, waaronder ook uit Nederland, werd er geschokt op de berichten uit Zuid-Afrika gereageerd. In alle kranten werd het geweld veroordeeld. Deze protesten vormden het definitieve omslagpunt in de berichtgeving over de apartheid in Nederland. Kranten die het beleid eerst verdedigde, verwierpen het nu op humanitaire gronden. De protesten zorgden ervoor dat de sympathie in Nederland voorgoed afkalfde.

Vrijwel in heel Nederland, maar niet bij de NZAV. Als reactie op de geweldsuitbarsting schreven zij in het Maandblad dat alle proporties in de media verloren dreigden te gaan ‘in een golf van verontwaardiging, gestuwd door anti-apartheidsbewegingen en de zwarte Afrikaanse staten’. De tendentieuze berichtgeving in de Nederlandse media werd gehekeld in het blad, terwijl het optreden van de politie werd verdedigd. ‘De politie had weinig andere keus dan de orde gewapenderhand te herstellen. Wat begon als een politiek protest van de jeugd ontaardde in brandstichting en plundering.’ In hetzelfde artikel wordt wel duidelijk gemaakt dat er iets moet veranderen. ‘Op wat langere termijn zullen zeker ingrijpende wijzigingen in het regeringsbeleid ten aanzien van de stedelijke zwarte bevolking niet kunnen uitblijven.’ 

Deze maatregelen komen er inderdaad, maar op een andere manier dan verwacht. In oktober 1977 is in het Maandblad te lezen dat de Zuid-Afrikaanse regering ‘een heilloze weg’ is ingeslagen, door maatregelen te nemen tegen 17 zwarte organisaties en enkele dagbladen. Door nieuwe regels worden zij beperkt in hun expressiemogelijkheden, met als doel de goede orde te herstellen schrijft Van Winter. ‘Zo’n verklaring kan alleen nog geloofwaardig en afdoende zijn voor het meest verkrampte deel van de blanke bevolking. […] Een lichtpunt is dat ook in Zuid-Afrika zélf veel blanken protesteren.’ Hiermee lijkt het dat de redactie van het Maandblad de toon enigszins aanpast en zich tegen de gevestigde orde van de apartheidspolitiek keert. Hier komen ze echter snel op terug. Een maand later wordt er naar aanleiding van bovenstaand artikel een citaat van een ingezonden brief overgenomen. De redactie zou zich volgens de briefschrijver scharen ‘aan de kant van Zuid-Afrika’s belagers en meehuilen met de verschillende koren die kreten van ergernis of vijandschap ten beste geven.’ Van Winter verwerpt dit: ‘Men vergist zich daarbij en miskent de geest waarin wij denken en schrijven’, reageert hij. Hiermee geeft hij aan dat de redactie van het Maandblad nog steeds achter het apartheidsbeleid staat. Het zijn de buitenlandse media die zich bemoeien met alles wat er in Zuid-Afrika gebeurt. De redactie is van mening dat het de media zijn die verantwoordelijk te houden zijn voor de protesten in Zuid-Afrika. 

Het lijkt daarmee of er in het Maandblad niets is veranderd in de berichtgeving over de apartheid, maar niets is minder waar. Tussen de regels door valt te lezen dat de redactie van het blad wel degelijk vindt dat iets moet veranderen in Zuid-Afrika. Het apartheidsbeleid in de huidige vorm heeft geen toekomst. Het doel van het apartheidssysteem was om een beleid van ‘rust en harmonie’ te ontwikkelen. ‘Wat zich in Zuid-Afrika nu al een jaar lang afspeelt, wijst erop dat juist die berusting […] niet in de geesten overheerst.’ Het toepassen van geweld op de protesterende Afrikanen gaat er niet voor zorgen dat die berusting er wel komt, is de menig van Van Winter:

Wij gaan hierbij niet uit van kwade trouw bij de ontwerpers maar zien er veeleer een aanwijzing in dat de regering nog altijd niet los is gekomen van de dwangvoorstellen die […] nu al jarenlang de geesten vasthouden die nu tot maatregelen van geweld aanleiding geven.

Het huidige beleid dat wordt uitgevoerd door de zittende regering gaat er niet voor zorgen dat de vrede in Zuid-Afrika hersteld wordt. Sterker nog, het is juist de oorzaak van het geweld dat plaatsvindt. Dat kan alleen opgelost worden als er daadwerkelijk iets verandert aan het apartheidsbeleid. Waar Van Winter in 1948 al bang voor was, is werkelijkheid geworden. ‘Van vrede [kan] geen sprake zijn, wanneer men één der partijen gaat treffen in wat hem het dierbaarst is’, schreef hij al in dat jaar. Met de kennis van nu bleek dit een vooruitziende blik.

Conclusie 

Geconcludeerd kan worden dat het Maandblad in de periode tussen 1946 en 1977 een vrij consistente houding aanneemt in de berichtgeving over de apartheid. Op een aantal kleine uitzonderingen na, wordt er gedurende de gehele periode op een begripvolle manier over het apartheidsbeleid bericht waarbij opvalt dat er vrijwel niet wordt verwezen naar de gedeelde cultuur, die tot uitdrukking kwam in het idee van ‘stamverwantschap’. In andere artikelen uit het blad, met name in de periode tot 1955, speelde dit concept een belangrijke rol. Echter, in 

de berichtbeving over de apartheid beweegt het Maandblad continu mee op de lijn die is uitgezet door de Nasionale Party. Zodra er een nieuw beleid komt, wordt dit gesteund, of althans niet tegengesproken. 

Toen er meer stemmen opgingen om iets te veranderen aan de apartheid, zoals het afschaffen van de bordjes, of het hervormen van het systeem, werd dit overgenomen. Hiermee stellen ze zich solidair op met de Afrikaners, ongeacht wat men daar in Nederland van vindt. De redactie van het Maandblad voelde zich dusdanig verbonden met de Afrikaners dat ze begrip toonden voor de situatie in het land. Een verklaring hiervoor is de vele samenwerkingen die de NZAV, de uitgever van het blad, met Zuid-Afrikaanse instellingen had. Zelfs de vacant land myth, waarbij werd gesteld dat de Afrikaners de Kaap eerder hadden ontdekt dan de Bantoestammen, werd overgenomen en werd een belangrijk argument om de apartheid goed te praten. 

In de artikelen die verschenen komt duidelijk naar voren dat er een gedeelde identiteit bestaat tussen de leden van de NZAV en de Afrikaners. De vereniging richtte zich op Nederlanders die geïnteresseerd waren om te migreren naar Zuid-Afrika en dus ook een verbondenheid voelde met het land, dit versterkte ze zelf nota bene door te verwijzen naar de vele gemeenschappelijkheden. De NZAV kan dus letterlijk gezien worden als de representatie van de Afrikanercultuur in Nederland. De identiteit en het gedachtegoed van de vereniging kwam vrijwel een op een overeen met die van de Afrikaners. 


1 Om in kaart te brengen hoe de verhouding in de berichtgeving over het gevoel van stamverwantschap ten opzichte van de apartheid was, is een zoekwoordenanalyse gebruikt. Hiervoor zijn alle artikelen waarin over het idee van stamverwantschap en over de apartheid werd bericht in kaart gebracht. Daarbij is gebruikgemaakt van Delpher, een groot online archief van tijdschriften, kranten en boeken. Vanwege de beperking op de auteursrechten mocht Delpher enkel de Maandbladen tot 1960 publiceren. Toch geeft dit al een duidelijk overzicht over waar de zwaartepunten in de berichtgeving lagen. Voor de berichtgeving over de apartheid in de periode na 1960 is gebruik gemaakt van het archief van het Zuid-Afrikahuis. 

2 P.J. Van Winter, ‘Overzicht’, Maandblad Zuid-Afrika, maart-april 1947, 17; het was overigens niet de eerste keer dat er over de context van het ‘rassenprobleem’ werd geschreven in het Maandblad. In eerdere nummers werd een andere terminologie gebruikt, zoals ‘rassenvraagstuk’, ‘rassenwaan’ of ‘rassenquaestie’. Deze termen zijn ook meegenomen in de analyse. Zoals duidelijk naar voren komt in de grafiek werd deze terminologie in de periode tot 1947 nog niet frequent gebruikt. 

3 Van Winter, ‘Overzicht’, 17.  

4 Ibid., 17.  

5 Patric Tariq Mellet, The lie of 1652: A decolonised history of land, (Cape Town: Tafelberg, 2020): 291.  

6 Clifton C. Crais, ‘The Vacant Land: The Mythology of British Expansion in the Eastern Cape, South Africa’, Journal of Social History 25, nr. 2(Winter 1991), 256.

7 Leonard Thompson, The Political Mythology of Apartheid, (Yale: Yale Universtity Press, 1985), 199. 

8 Crais, The Vacant Land, 257. 

9 Mellet, The Lie of 1652, 113-115. 

10 Ibid., 274. 

11 P.J. Van Winter, ‘Zwarte Steden: Enige Beschouwingen over de Verhouding Tussen Blank en Zwart’, Maandblad Zuid-Afrika, november 1947, 65.

12 Van Winter, ‘Zwarte Steden’,65.

13 Ibid., 65.

14 Ibid., 65.

15 Ibid., 65.

16 Ibid., 65.

17 Barbara Henkes, ‘Een Warm Welkom voor Blanke Nieuwkomers? Nederlandse Emigratie en Zuid-Afrikaanse Natievorming (1902-1961),’ Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 10, nr. 2:, 20.

18 Van Winter, ‘Zwarte Steden’, 65-66. 

19 Ibid., 65-66.

20 Ibid., 66.

21 Peter Limb, ‘The anti-apartheid movements in Australia and Aotearoa/New Zealand’, in The Road to Democracy in South Africa, Volume 3, International Solidarity, Part II, red. Bernard Magubane, (Austin: Pan-African University Press, Januari 2008), 908-909.

22 Henkes, ‘Een Warm Welkom’, 20. 

23 P.J. Van Winter, ‘Apartheid als Beginselprogramma van de Nationalisten’, Maandblad Zuid-Afrika, mei 1948, 68-69.

24 Van Winter, ‘Apartheid als Beginselprogramma’, 68.

25 Ibid., 68. 

26 Ibid., 68. 

27 Ibid., 68.

28 Ibid., 68.

29 Mellet, The Lie of 1652, 295-296. 

30 Van Winter, ‘Apartheid als Beginselprogramma’, 68.  

31 Ibid., 68.

32 Ibid., 68. 

33 Ibid., 68.

34 P.J. Van Winter, ‘Opwinding in de Nederlandse Pers’, Maandblad Zuid-Afrika, juli 1947, 99.

35 Van Winter, ‘Opwinding in de Nederlandse Pers,’ 99. 

36 Ibid., 99.

37 In 1947 en 1948 heeft het blad 88 pagina’s per jaargang, terwijl het in de daaropvolgende jaren schommelt tussen 168 en 196. Vanaf 1958 telt het blad zelfs 210 pagina’s. 

38 J. Keunig en J.H. Broekman, Jaarverslag Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging 1951, 1. 

39 Martin Harlaar, “Onderschat u vooral de mogelijkheden in Nederland niet,” in Nederland tegen Apartheid, red. Carry van Lakerveld, (Amsterdam: Sdu Uitgeverij, 1994), 44.

40 P.J. Van Winter, ‘Vrij Nederland Geeft Feiten over Zuid-Afrika’, Maandblad Zuid-Afrika, december 1954, 165.

41 Van Winter, ‘Vrij Nederland Geeft Feiten’, 165.

42 Ibid., 165.

43 Ibid., 165.

44 Ibid., 165.

45 Ibid., 165. 

46 Ibid., 165. 

47 Pieter-Jan van Winter, ‘Emigratie,’ Maandblad Zuid-Afrika, augustus 1957.

48 Ibid., 107.

49 Ibid., 107.

50 G.J.H. Gijmink, ‘Ter Overdenking’, Maandblad Zuid-Afrika, maart 1960, 39.

51 Gijmink, ‘Ter Overdenking’, 39. 

52 Ibid., 39.

53 Jacqueline Goldsby, ‘’The High and Low Tech of It: The Meaning of Lynching and the Death of Emmett Till’, The Yale Journal of Criticism 9, nr. 2 (herfst 1996), 245-246.

54 Gijmink, ‘Ter Overdenking’, 39.

55 Erin Krutko Devlin, ‘“It’s Only Convincing If They Say It Is”: Documenting Civil Rights Progress in the USIA’s Nine from Little Rock’, Film History: An International Journal 30, nr. 4 (winter 2018), 22-23, 28.  

56 Gijmink, ‘Ter Overdenking’, 39.

57 Camilla Schofield en Ben Jones, ‘“Whatever Community Is, This Is Not It”: Notting Hill and the Reconstruction of “Race” in Britain after 1958’, Journal of British Studies 58, (januari 2019), 143. 

58 Gijmink, ‘Ter Overdenking’, 39.

59 Ibid., 39. 

60 Stefan de Boer, Van Sharpville tot Soweto: Nederlands regeringsbeleid ten aanzien van apartheid, 1960-1977,” PhD. Diss., Den Haag: Sdu Uitgeverij, 1999: 81.

61 Ibid., 81.

62 Ibid., 87.

63 P.J. Van Winter, ‘Deze Maand’, Maandblad Zuid-Afrika, april 1960, 51.

64 Van Winter, ‘Deze Maand’, 51.

65 Ibid., 51. 

66 De Boer, Van Sharpeville tot Soweto,’ 81. 

67 Van Winter, ‘Deze Maand’, 51.

68 Ibid., 51.

69 Marise Sperling, ‘“Die wit man altyd baas wees” De beeldvorming van de apartheid in Zuid-Afrika door Trouw en de Volkskrant in de periode 1948-1994,’ TMG Journal for Media History 13, juni 2010, 32-33; De Boer, Van Sharpeville tot Soweto, 83.

70 Van Winter, ‘Deze Maand’, 51. 

71 De Boer, Van Sharpeville tot Soweto, 235.

72 D. Hofmeijer, ‘Vertrouwen’, Maandblad Zuid-Afrika, januari 1965, vol. 42 nr. 1, 22-23. 

73 Hofmeijer, ‘Vertrouwen’, 22. 

74 Ibid., 22. 

75 P.J. Van Winter, ‘Analyse van een Schijngesprek’, Maandblad Zuid-Afrika, mei 1968, 65.

76 Van Winter, ‘Analyse van een Schijngesprek’, 65.

77 Ibid., 65.

78 Ibid., 65.

79 Ibid., 65.

80 Ibid., 65.

81 Geert Groothoff, ‘Pieter Korthuys Overleden’, Neerlandia, 1993, 119.

82 Pieter Korthuys, ‘Kritiek op Zuid-Afrika Loopt Ver Achter’, Maandblad Zuid-Afrika, augustus 1975, 105.

83 Korthuys, ‘Kritiek Loopt Ver Achter’, 105. 

84 P.J. Van Winter, ‘Johannesburg Gaat Over tot Afschaffing Kleine Apartheid’, Maandblad Zuid-Afrika, februari 1974, 23.

85 P.J. Van Winter, ‘De Bordjes Weg’, Maandblad Zuid-Afrika, april 1975, 49. 

86 Ibid., 49. 

87 Korthuys, ‘Kritiek Loopt Ver Achter’, 105. 

88 Ibid., 112.

89 Caroline Van Dullemen, ‘Nederland Loopt te Hoop Tegen Apartheid’, in Nederland Tegen Apartheid, red. Carry van Lakerveld, (Amsterdam: Sdu Uitgeverij, 1994), 61, 63-68.

90 De Boer, Van Sharpeville tot Soweto,’ 334.

91 Van Dullemen, ‘Nederland Loopt te Hoop’, 61.

92 De Boer, Van Sharpeville tot Soweto, 334.

93 Van Dullemen, ‘Nederland Loopt te Hoop’, 61-62.

94 Sperling, “Die wit man altyd baas wees,” 39. 

95 De Boer, Van Sharpeville tot Soweto, 363. 

96 P.J. Van Winter, ‘Schokkende Onlusten’, Maandblad Zuid-Afrika, juni 1976, 81.

97 Van Winter, ‘Schokkende Onlusten’, 81. 

98 Ibid., 81.  

99 P.J. Van Winter, ‘Een Heilloze Weg’, Maandblad Zuid-Afrika, oktober 1977, 133.

100 Van Winter, ‘Een Heilloze Weg’, 133.

101 P.J. Van Winter, ‘Een Woord van Verweer’, Maandblad Zuid-Afrika, 1977, 150.

102 Van Winter, ‘Een Woord van Verweer’, 150.

103 Ibid., 150.

104 Ibid., 150.

105 Ibid., 150.


Bibliografie

Bronnen:

Interview
Gerrit-Jan Schutte, Amsterdam, 14-04-2021

Jaarverslagen Nederlandse Zuid-Afrikaanse Vereniging:Keunig, J, en J.H. Broekman. Jaarverslag Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging 1951

Keunig, J, en H. Smitskamp. Jaarverslag Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging 1956.

Keunig, J, en H. Smitskamp. Jaarverslag Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging 1960

Maandblad Zuid-Afrika:

Gijmink, G.J.H. “Ter Overdenking.” Maandblad Zuid-Afrika, maart 1960.

Hofmeijer, D. ‘Vertrouwen,’ Maandblad Zuid-Afrika, januari 1965, vol. 42 nr. 1. 22-23. 

Korthuys, Pieter. “Kritiek op Zuid-Afrika Loopt Ver Achter.” Maandblad Zuid-Afrika, augustus 1975.

Winter, Pieter-Jan van. “Analyse van een Schijngesprek.” Maandblad Zuid-Afrika, mei 1968.

Winter, Pieter-Jan van. “Apartheid als Beginsel en Pracktijk.” Maandblad Zuid-Afrika, juli 1960.

Winter, Pieter-Jan van. “Apartheid als Beginselprogramma van de Nationalisten.” Maandblad Zuid-Afrika, mei 1948.

Winter, Pieter-Jan van. “De Bordjes Weg.” Maandblad Zuid-Afrika, april 1975.

Winter, Pieter-Jan van. “Deze Maand.” Maandblad Zuid-Afrika, april 1960.

Winter, Pieter-Jan van. “Een Heilloze Weg.” Maandblad Zuid-Afrika, oktober 1977.

Winter, Pieter-Jan van. “Een Woord van Verweer.” Maandblad Zuid-Afrika, 1977.

Winter, Pieter-Jan van. “Emigratie.” Maandblad Zuid-Afrika, augustus 1957.

Winter, Pieter-Jan van. “Johannesburg Gaat Over tot Afschaffing Kleine apartheid.” Maandblad Zuid-Afrika, februari 1974.

Winter, Pieter-Jan van. “Opwinding in de Nederlandse Pers.” Maandblad Zuid-Afrika, juli 1947.

Winter, Pieter-Jan van. “Overzicht.” Maandblad Zuid-Afrika, april 1947.

Winter, Pieter-Jan van. “Schokkende Onlusten.” Maandblad Zuid-Afrika, juni 1976.

Winter, Pieter-Jan van. “Vrij Nederland Geeft Feiten over Zuid-Afrika.” Maandblad Zuid-Afrika, december 1954.

Winter, Pieter-Jan van. “Zwarte Steden: Enige Beschouwingen over de Verhouding Tussen Blank en Zwart.” Maandblad Zuid-Afrika, november 1947.

6.2 Secundaire bronnen: 

Bastiaansen, Joppe. “Maandblad Zuid-Afrika en de Beeldvorming over Stamverwantschap, 1945-1960.” Spectrum 4, (april 2021). https://www.zuidafrikahuis.nl/2021/04/29/maandblad-zuid-afrika-en-de-beeldvorming-over-stamverwantschap-1945-1960/.  

Boer, Stefan de. “Van Sharpville tot Soweto: Nederlands regeringsbeleid ten aanzien van apartheid, 1960-1977.” PhD. Diss., Den Haag: Sdu Uitgeverij, 1999.

Crais, Clifton C, “The Vacant Land: The Mythology of British Expansion in the Eastern Cape, South Africa.” Journal of Social History 25, nr. 2(Winter 1991): 255-275.

Dullemen, Caroline van. “Nederland Loopt te Hoop Tegen apartheid.” In Nederland Tegen apartheid, redactie door Carry van Lakerveld, 61–94. Amsterdam: Sdu Uitgeverij, 1994.

Goldsby, Jacqueline. ‘’The High and Low Tech of It: The Meaning of Lynching and the Death of Emmett Till.’’ The Yale Journal of Criticism 9 nr. 2 (herfst 1996): 245-282. https://doi:10.1353/yale.1996.0016.

Harlaar, Martin. “Onderschat u vooral de mogelijkheden in Nederland niet.” In Nederland tegen apartheid, redactie door Carry van Lakerveld, 43–57. Amsterdam: Sdu Uitgeverij, 1994.

Henkes, Barbara. “Een Warm Welkom voor Blanke Nieuwkomers? Nederlandse Emigratie en Zuid-Afrikaanse Natievorming (1902-1961).” Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 10, nr. 2 (maart 2013): 2–39. https://doi.org/10.18352/tseg.184.

Krutko, Erin Devlin. ““It’s Only Convincing If They Say It Is”: Documenting Civil Rights Progress in the USIA’s Nine from Little Rock.” Film History: An International Journal 30, nr. 4 (winter 2018): 22-47.

Limb, Peter. “The anti-apartheid movements in Australia and Aotearoa/New Zealand.” in The Road to Democracy in South Africa, Volume 3, International Solidarity, Part II, redactie door Bernard Magubane, 907-982. Austin: Pan-African University Press, Januari 2008.

Mellet, Patric Tariq. The Lie of 1652: A decolonised history of land. Kaapstad: Tafelberg, 2020. 

Schofield, Camilla en Ben Jones. ““Whatever Community Is, This Is Not It”: Notting Hill and the Reconstruction of “Race” in Britain after 1958.” Journal of British Studies 58, (januari 2019): 142-173. https://doi:10.1017/jbr.2018.174. 

Sperling, Marise. ““Die wit man altyd baas wees”. De beeldvorming van de apartheid in Zuid-Afrika door Trouw en de Volkskrant in de periode 1948-1994.” TMG Journal for Media History 13 (1 juni 2010): 24. https://doi.org/10.18146/tmg.575.

Thompson, Leonard. The Political Mythology of Apartheid. Yale: Yale University Press, 1985.

Meer nieuws

13 juli 2022, Actueel
Antjie Krog wordt officier in de Belgische Kroonorde
De Belgische ambassadeur, Didier Vanderhasselt, reikte in de Kaap de titel Officier in de Kroonorde uit aan de Zuid-Afrikaanse auteur Antjie Krog.
8 juli 2022, Journalist in het Huis
Joernalis in die Huis: Hanlie Stadler
Voor het eerst in bijna drie jaar mogen we weer een journalist van het Zuid-Afrikaanse Media24 ontvangen op de Keizersgracht.
6 juli 2022, Cultuur
Sabelo Mlangeni en Lindokuhle Sobekwa in Huis Marseille
Deze zomer in Amsterdam? Vanaf heden tot en met 4 augustus zijn er twee exposities te bezichtigen van de Zuid-Afrikaanse kunstenaars Sabelo Mlangeni en Lindokuhle Sobekwa, in het Huis van Marseille.

Bezoekadres

Keizersgracht 141-C
1015 CK Amsterdam
+31(0)20-6249318

Openingstijden

Vragen en afspraken

Neem contact op

Volg ons